Menu
  • en_EN, us_EN
  • nl_NL

Brandgevaarlijk werk: welke preventiemaatregelen kunt u nemen?

donderdag 21 januari 2016

Voert uw bedrijf brandgevaarlijke werkzaamheden uit? Dan bent u ongetwijfeld bekend met de risico's. Bij bijvoorbeeld lassen, slijpen en dakdekken kan een vuurvonkje al snel overslaan naar een brand. Deze branden ontstaan vooral bij het uitvoeren van reparaties, verbouw, onderhoud, vervanging of uitbreiding van een installatie. Gelukkig kunt u genoeg doen om de kans op brand te voorkomen. Lees deze tips van Nationale-Nederlanden daarom nog eens door.

Wees goed voorbereid

  • Gebruik minder gevaarlijke methodes, zoals koude kleefstoffen of klem- of boutverbindingen.
  • Voer de werkzaamheden op een veilige plaats uit, bijvoorbeeld buiten.
  • Informeer de omgeving over de werkzaamheden en scherm de werkplek af.
  • Hou nooduitgangen en vluchtwegen vrij.
  • Zet luchtinstallaties en ventilatiesystemen uit.
  • Moet de brandmelder tijdelijk uitgeschakeld worden zodat die tijdens de werkzaamheden niet afgaat? Hou dan extra toezicht op het ontstaan van brand.
  • Voer de brandgevaarlijke werkzaamheden niet aan het einde van de werkdag uit. Zo kunt u erna nog toezicht houden op het ontstaan van brand.
  • Leg procedures, afspraken en verantwoordelijkheden

Denk aan uw gezondheid

  • Controleer voordat u begint uw gereedschap, apparatuur en aansluitmaterialen op beschadigingen.
  • Draag goede werkkleding en bescherm u tegen straling, rook en damp. Draag bijvoorbeeld een veiligheidsbril of volgelaatsmasker.
  • Bescherm omstanders met lasschermen.
  • Zorg voor voldoende ventilatie. Maak eventueel gebruik van mobiele lasrookafzuiging.

Richt de werkplek veilig in

  • Hou uw werkplek schoon en opgeruimd. Verwijder brandbare spullen binnen een straal van tien meter.
  • Kunnen brandbare objecten of materialen niet verplaatst worden? Bescherm ze dan met lasdekens, lasschermen of staalplaten.
  • Dek openingen en verbindingen in wanden en vloeren af om de kans op brand in andere ruimtes te verminderen.
  • Hou genoeg brandblussers en branddekens binnen handbereik.
  • Is er stof- of gasexplosiegevaar? Neem aanvullende maatregelen.

Let op bij constructies en installaties

Bij werk aan constructies, machines of installaties kunnen aangrenzende constructies in brand vliegen. Werkt u aan gesloten installaties, zoals tanks en vaten? Dan loopt u extra risico.

  • Controleer of de constructie behandeld is met een brandbare coating of vervuild is met stoffen die makkelijk vlam vatten. Vergeet de achterkant van het werkvlak niet. Reinig de constructie grondig of kies voor een niet-brandgevaarlijke werkmethode
  • Is de constructie verbonden met andere constructiedelen die bij hoge temperaturen kunnen ontbranden? Zorg dan voor extra temperatuurbewaking of koeling.
  • Voorkom dat brandbare isolatiematerialen in wanden, vloeren, gevels en daken vlam kunnen vatten door deze af te dekken.
  • Werkt u in een gesloten ruimte? Doe voor en tijdens het werk gasmetingen om alert te zijn op explosiegevaar.

Gebruik open vuur bij dakdekken veilig

  • Volg de richtlijnen en voorschriften die vastgelegd zijn in de NEN 6050 en het KOMO procescertificaat BRL4702.
  • Hou alleen zoveel brandbare materialen op het dak die u in een dag kunt verwerken.
  • Verspreid de materialen over het dak met een afstand van minimaal vijf meter tot de dakranden.
  • Onderzoek voordat u aan de slag gaat of materialen in de omgeving en de onderconstructie brandbaar zijn.
  • Gebruik onbeschadigde bitumenketels met een temperatuurbegrenzer die de gastoevoer bij oververhitting blokkeert.
  • Plaats bitumenketels niet direct op de dakbedekking, maar in een metalen overloopbak.
  • Hou minstens vijf meter afstand tussen de ketel en de gasflessen.
  • Controleer de gasslangen regelmatig op slijtage en beschadigingen.

Hou toezicht op brand

  • Stel een brandwacht aan die toezicht houdt tijdens het werk, tijdens pauzes en tot ten minste een uur na afronding van het werk.
  • Zorg dat de brandwacht voldoende blusmiddelen heeft en weet hoe ze werken.
  • Maak alarmprocedures bekend op de werkvloer en geef de brandwacht de juiste telefoonnummers voor het melden van calamiteiten en inschakelen van hulpdiensten.
  • Schakel de brandbeveiliging na afloop van het werk weer in.
  • Voer vier uur na de werkzaamheden een laatste controleronde uit.

Bron: Nationale-Nederlanden, 21 januari 2016